BlogJob

Gives you a hell of a blogJob

0 notes

Mingus is dood. Hij had kanker. Men zegt dat het ongepast is een in memoriam te maken voor een hond. Jawel, het is ook ziekelijk. Zeker op een moment als dit, als er een mens ligt te vechten voor zijn leven. Van koninklijke bloede nog wel. En Mingus is ook nog eens een straathond, uit de achterbuurten van Vathi op Samos. Van de andere kant gaat het hier wel om een collega-zoogdier.

Ik heb niets met het verheerlijken van huisdieren. Het projecteren van menselijke aandoeningen en eigenschappen op dergelijke schepsels heb ik altijd als infantiel beschouwd. Ik ben infantiel. Mingus was iets bijzonders: handsome, gevoelig en zeer intelligent. Hij komt van een lange lijn zwervers waardoor zijn genetische eigenschappen hem volledig terugbrachten tot het oerontwerp van de hond: licht op de poten, coyoteachtige stroomlijning, supersociaal en assertief plus een eerlijke, opportunistische inborst. Huppelend alert zijn territorium doorkruisend.

Mingus had katachtige trekken. In zijn jonge jaren ving hij veldmuizen door ze geconcentreerd te volgen in het hoge gras van de dijk om ze plots als een poema te bespringen. Op de cursus behaalde hij op superieure wijze de hoogste aantekening omdat hij alle opdrachten en aanwijzingen in één keer door had… alle doorgefokte ras-adelen bevestigend in hun inteeltachtige domheid.

Hoewel tenger, ging hij geen enkele soortgenoot –hoe dreigend of volumineus ook- uit de weg. Hij compenseerde het ontbreken van agressiviteit met vriendelijke maar onwrikbare dominantie. De op hem aanstormende, wild schuimbekkende, vechthond die aan het eind van onze dijk woont en die net zo zwakbegaafd is als zijn baasje, werd kalm tegemoet getreden.

Hoewel hij op het laatst veel pijn had, kwispelde hij als ik hem een witte druif aanbood die hem herinnerde aan zijn Griekse jeugd. Vis vond hij ook lekker. Ondanks het moeizame lopen kwam hij tot de laatste dag trouw, zoals hij tien jaar lang deed, een groet brengen door zijn kop even op mijn been te leggen terwijl ik koffiedronk aan de ontbijttafel. Hij ging pas weg nadat ik hem op zijn rug klopte en zei: ‘Goeiemorgen, ouwe Griekse schooier.’ Hij beschouwde het gezin als bloedverwant. Het was zijn roedel waar hij zich blijmoedig schikte in zijn rol als laagst geplaatste en hij nam ons onze menselijke tekortkomingen nimmer kwalijk.

Hij leerde vrij snel de Nederlandse taal hetgeen knap is voor een Griek. Zijn vocabulair was verbijsterend groot. Hij begreep de betekenis van minstens dertig woorden.

Mingus was geen balletjeshond. Hij was uit op interactie met soortgenoten en mensen. De autistische golden retrievers die wezenloos weggeworpen stokken en ballen apporteerden werden door hem met spijt en medelijden gadegeslagen. Op jonge leeftijd wilde hij er zich wel eens met tegenzin aan overgeven, louter om ons een plezier te doen.

Een hond ook van vaste rituelen. Op het strand altijd even tot de buik de zee in, een likje zeewater en met opgeheven kop de zilte wind insnuivend. Zijn nostalgische moment. Hij was zeer bevriend met Charlie, een kruising rotweiler bouvier, een simpele krachtpatser. Ze hielden schijngevechten en hoewel Charlie Mingus (was dat niet een jazz muzikant trouwens?) makkelijk aan stukken had kunnen scheuren, liet hij Mingus winnen door op zijn rug te gaan liggen en overtuigend de overwonnene te acteren. Mingus op zijn beurt, die veel sneller en wendbaarder was, hield expres zijn pas in om Charlie bij te laten benen. Echte vriendschap dus. Kom daar maar eens om in kringen van menselijke zoogdieren. Maar dit terzijde.

Dinsdag kreeg hij zijn exit-spuitje. Ik had mij voorgenomen niet te gaan snotteren want dat hadden de vrouwen uit mijn vrouwenhuishouding al op zich genomen. Ik ben daar met een extra krachtsinspanning in geslaagd door autistisch een pak tissues vol te snuiten. Nu breng ik hier alleen nog maar een laatste saluut, van de ene straathond (uit de achterbuurten van Rotterdam) aan de andere.