BlogJob

Gives you a hell of a blogJob

0 notes

Tering. Vandaag las een leerling van het VMBO dit gedicht voor van onze eigen Martinus. Heel bekend, maar door mij vergeten. Hoewel het haaks op de tijdgeest lijkt te staan, heeft het toch iets.  Het werkt. Tenminste, het probeert iets te zeggen en dat lukt ook. Ik wist helemaal niet dat ze zich op die school met dit soort fijne flauwekul bezighielden. Het heeft hoegenaamd geen reet met on-line marketing te maken enzo… en het bevat ook helemaal niks van die melige leukigheid waarmede alles thans doordrenkt is… nou ja… Kennen jullie dit gedicht nog?
 
 
 
 
Het kind en ik
          Ik zou een dag uit vissen,
          ik voelde mij moedeloos.
          Ik maakte tussen de lissen
          met de hand een wak in het kroos.
           
          Er steeg licht op van beneden
          uit de zwarte spiegelgrond.
          Ik zag een tuin onbetreden
          en een kind dat daar stond.
           
          Het stond aan zijn schrijftafel
          te schrijven op een lei.
          Het woord onder de griffel
          herkende ik, was van mij.
           
          Maar toen heeft het geschreven,
          zonder haast en zonder schroom,
          al wat ik van mijn leven
          nog ooit te schrijven droom.
           
          En telkens als ik even
          knikte dat ik het wist,
          liet hij het water beven
          en het werd uitgewist.
 
 
 
Uit: Nieuwe Gedichten, 1934. 
 
 

Tering. Vandaag las een leerling van het VMBO dit gedicht voor van onze eigen Martinus. Heel bekend, maar door mij vergeten. Hoewel het haaks op de tijdgeest lijkt te staan, heeft het toch iets.  Het werkt. Tenminste, het probeert iets te zeggen en dat lukt ook. Ik wist helemaal niet dat ze zich op die school met dit soort fijne flauwekul bezighielden. Het heeft hoegenaamd geen reet met on-line marketing te maken enzo… en het bevat ook helemaal niks van die melige leukigheid waarmede alles thans doordrenkt is… nou ja… Kennen jullie dit gedicht nog?

 

 

 

 

Het kind en ik

         Ik zou een dag uit vissen,

         ik voelde mij moedeloos.

         Ik maakte tussen de lissen

         met de hand een wak in het kroos.

          

         Er steeg licht op van beneden

         uit de zwarte spiegelgrond.

         Ik zag een tuin onbetreden

         en een kind dat daar stond.

          

         Het stond aan zijn schrijftafel

         te schrijven op een lei.

         Het woord onder de griffel

         herkende ik, was van mij.

          

         Maar toen heeft het geschreven,

         zonder haast en zonder schroom,

         al wat ik van mijn leven

         nog ooit te schrijven droom.

          

         En telkens als ik even

         knikte dat ik het wist,

         liet hij het water beven

         en het werd uitgewist.

 

 

 

Uit: Nieuwe Gedichten, 1934.